rss

2. Omgeving Boudelo

OOSTVAART

De beek Oostvaart (en waarschijnlijk ook de straat of toen nog jaagpad of tragel) vindt vermoedelijk haar oorsprong in de middeleeuwen. Moerbeke kende toen een klein netwerk van vaarten, die al dan niet werden aangelegd op plaatsen waar al natuurlijke waterlopen aanwezig waren. Enkele straatnamen verwijzen daar nog naar: Spelonkvaart, Terwestvaart. Deze laatste waterlopen werden zo’n 20 tot 25 jaar in 1976, voor het moment van de bescherming (2003) overwelfd en kregen een betonnen of asfalten baanvak over zich heen. Enkel de Oostvaart is behouden gebleven. Deze vaarten werden aangelegd na het graven van de Moervaart en dienden om het transport over water (in de eerste plaats van onder andere turf als brandstof) van en naar de Moervaart, vanuit en naar het binnenland te verzekeren. Vanuit de Moerspuipolder en de Overslag werden via de Lange Lede, de Haringslede en de Oostvaart brandhout, turf en “een keur van landbouwvoortbrengselen” naar de Moervaart gevaren.

De oudste huizen van de Oostvaart zijn van het ‘kleine hoevetjestype’: eenvoudige huisjes van de vroegere, kleinschalige boeren. De nieuwe huizen zijn doorgaans verbouwingen van deze kleine huisjes naar modernere woonbehoeften, maar hebben het sobere, kleinschalige karakter van de vorige woningen behouden. Veelal werden hergebruik-bakstenen aangewend. Opvallend is ook dat bijna alle woningen (ook de nieuwe woningen in de straat) het oude, algemeen gebruik van hagen rondom of aan de straatkant hebben behouden of overgenomen. Meestal werd liguster (Ligustrum) of meidoorn (Crataegus) gebruikt, maar ook haagbeuk (Carpinus betulus), hulst (Ilex) en zelfs veldesdoorn (Acer campestre) komen voor. Sommigen hagen zijn circa 100 jaar oud en dit siert de straat.

In de hoek waar de Oostvaart de haakse bocht naar rechts maakt liggen nog enkele kleinschalige percelen. In het verlengde van de Oostvaart langs de waterloop bevindt zich een oude hoeve, vermoedelijk daterend uit 1722 en in 1799 vermeld onder de naam van herberg “Swerten Ruyter”. Deze herberg heeft later haar naam gegeven aan de wijk Zwarte Ruiter. Het is één van die weinige restanten van de laatmiddeleeuwse hoeven die nog in betrekkelijk goede staat in het Waasland zijn terug te vinden.

HOF TE FONTEYNE

Het Rabot van Coudenborm komt voor in de archieven en ook op de figuratieve kaart. Deze sluis moest een deel van het waterpeil regelen daar de Oostvaart nog invloed had van de getijen. Door de sluizen van de twee overtomen of overslagen te bedienen, ontstond er een echte sluis die de getijdenwerking van de waterloop kon regelen en die ook kon gebruikt worden voor de afwatering van de omliggende meersen en moeren.

Dat er reeds in 1200 een sluis aanwezig was, wijst op het groot belang ervan voor de regeling van de waterstand in het gebied. De wateren moesten bevaarbaar blijven voor vervoer van turf. Het gebouw was echter te groot hiervoor, dus is het mogelijk dat het ook een tolhuis met opslagruimte was.

De westelijke gevel vanaf dit punt bekeken, met de ankers uit 1676 en de trapgevel rechts die dateert van voor 1576. Langs de openingen onderaan werden de goederen vanaf het schip in de kelders geladen.

KOUDENBORMBRUG

De Moervaart, een zuidelijke aftakking van de Durme, werd in 1531 rechtgetrokken en van verschillende bruggen voorzien. Moervaart, Zuidlede (reeds in 1379 rechtgetrokken) en andere waterlopen in de Moervaartdepressie waren van belang onder meer voor het vervoer van turf en brandhout naar Gent. De exploitatie van de veen- en turfgronden was één van de voornaamste economische activiteiten te Moerbeke in de middeleeuwen. Schepen die van Gent naar Stekene of omgekeerd varen, moeten langs de Spelonckvaart, die ten noorden van Moerbeke ligt. Om deze omweg te vermijden, werd een nieuwe vaart gegraven ten zuiden van Moerbeke die in rechte lijn naar de Koebrug ging .

De brug dateert uit het interbellum en werd hersteld en gedeeltelijk vernieuwd circa 1945 na oorlogsschade. Het baksteenmetselwerk van de bruggenhoofden is voorzien van arduinen delen (dekstenen, afdekking bakstenen balustrade, afgeronde hoekblokken). In één van de bruggenhoofden bevindt zich een ophaaldeur met tand- en heugelsysteem.

Het handbedieningsmechanisme bestond uit een wiel gemonteerd op een ijzeren reductiekast bevestigd aan één van de hameipijlers. De handbediening werd vervangen door hydraulische bediening. De hendels van het ntkoppelingsmechanisme bevinden zich in gleuven naast de rijweg.

LANDBOUW

Het grootste en centrale gedeelte van Moerbeke tussen de Papdijk en de Moervaart die Moerbeke van west naar oost doorsnijdt, behoort tot de dekzandstreek met afwisselend drogere ruggen en natte depressies. Er komen heidevlakten voor met overblijfselen van oude zeeduinen, sparrenbossen en voorts wordt het gebied doorsneden door talrijke grachten. Het zuidelijk gedeelte waar u nu staat, behoort tot de Moervaartdepressie en is nog steeds een vrijwel onbewoond meersgebied met vele grachten waaronder de Zuidlede. De Zuidlede, de zuidelijke aftakking van de Durme die al voor het eerst vermeld zou zijn in 694, werd in 1379 rechtgetrokken en in 1412 uitgediept. De Moervaart, een noordelijke aftakking van de Durme, bijrivier van de Schelde, werd in 1531 rechtgetrokken en voorzien van drie vaste bruggen. Moervaart - Zuidlede waren van belang onder meer voor het vervoer van turf en brandhout naar Gent. De exploitatie van de veen- of turfgronden was een van de voornaamste economische activiteiten te Moerbeke in de middeleeuwen. De naam Moerbeke komt van de Germaanse woorden “more” hetgeen turfontginningsterrein betekent en “baki” wat beek betekent. De oudste vermelding van Moerbeke dateert uit de 12de eeuw. Het straatdorp Moerbeke ontwikkelde zich aan de heerweg Brugge-Antwerpen op de landrug ten noorden van de Moervaart. De talrijke overstromingen noodzaakten tot voortdurende indijkingen en draineringen van het gebied.

AFSPANNING DE DRY KONINGEN

Op de andere hoek van de kasseiweg richting de Koudenbormbrug is de voormalige Afspanning De Dry Koningen. De oudste vermelding van de herberg dateert van 432. Een verklaring van de naam is dat van pelgrimstochten in de middeleeuwen door de bedevaarders zogenaamde pelgrimstekens werden meegebracht. Een bewijs dat de tocht werd volbracht maar ook een bescherming voor onderweg. In Keulen werden sinds 1164 de relikwieën van de Drie Koningen bewaard. Coudenborm lag op de heirweg Brugge-Antwerpen richting Keulen. De abdij van Boudelo was ook een tussenstop voor bedevaarders. Het was niet alleen een herberg, maar tevens ook brouwerij en mouterij. De moerassige streek had onvoldoende drinkbaar water. Vandaar dat er in elke wijk een brouwerij was. Men moest het water koken of er een alcoholische drank van maken. Men dronk dus bier uit ‘noodzaak’. De kelder met tralies voor het raam, verwijst nog altijd op de aanwezigheid van een herberg en brouwerij.

Tot 1960 werd het uitgebaat als café en nadien werd het een volwaardige hoeve. Links haaks achter de woning aansluitende stallen en vroegere dwarsschuur waartussen een ijzeren toegangshek naar het binnenerf met rechthoekige mestvaalt. Dwarsschuur onder mansardedak (pannen), drie steunberen tegen de straatgevel en sporen van vlechtingen in de zijpuntgevel.

Bron: Genootschap van Boudelo en “Boudelo op Koudenborm te Moerbeke” van Alfons De Belie.