rss

Ontwerp begraafplaatsen

1. Definities.

2. Toepassingsgebied.

3. Pleegvormen die de begravingen/crematies voorafgaan.

3.1 Vaststelling overlijden.

3.2. Toestemming tot crematie.

3.3. Verlof tot begraven.

3.4 Kisting.

4. Lijkenvervoer.

a) Vervoer van niet-gecremeerde stoffelijke overschotten.

b) Vervoer van gecremeerde stoffelijke overschotten.

5. Mortuarium.

6. Begravingen.

6.1 Algemeen.

6.2. Levenloos geboren kinderen.

6.3 Afmetingen percelen.

a) Geconcedeerde gronden.

b) Niet-geconcedeerde gronden.

7. Ontgravingen.

8. Graftekens, bouw- en beplantingswerken – onderhoud der graven.

8.1 Algemeen.

8.2 Grafversieringen. 

8.3 Onderhoud en verwaarlozing der graven.

8.4 Grafconstructies. 

a) Grafkelders.

b) Graftekens. 

1.  Niet-geconcedeerde gronden.

2. Geconcedeerde en niet-geconcedeerde columbariumnis.

3. Geconcedeerd en niet-geconcedeerd urnenveld.

4. Foetusweide.

5. Geconcedeerde gronden.

5.1 Graf.

5.2 Kindergraf.

6. Oprichting.

7. Gemeenschappelijke bepalingen. 

9. Concessies.

9.1. Algemene bepalingen.

9.2. Concessieaanvraag.

9.3. Concessiehernieuwing.

9.4. Omzetting concessie.

9.5 Wijziging bestemming begraafplaats.

9.6. vroegtijdige beëindiging concessie.

9.7. Vervallen concessie.

10. Patrimoniumlijst.

11. Ordemaatregelen.

12. Strafbepalingen.

13. Slotbepalingen.

UITTREKSEL UIT DE NOTULEN VAN DE GEMEENTERAAD VAN
9180 MOERBEKE.

Openbare zitting van 3 maart 2011.

Tegenwoordig:

F. Marin, Burgemeester-voorzitter;

M. Fruytier – T. Walbrecht – P. De Bock – D. Adriaensen, schepenen;

R. Van Megroot, OCMW-voorzitter;

G. Thierens – D. Vervaet - E. Verschraegen – R. De Caluwe – E. De Schepper –I. Mertens – F. Dierinck - E. Coupé – W. Coupé - A. De Winne – K. Mertens, raadsleden;

B. Put, Secretaris.

Verontschuldigd:

L. van De Vijver, raadslid.

Reglement op de begraafplaatsen en lijkbezorging.

Gelet op de nieuwe gemeentewet, inzonderheid de artikelen 117, 119, 119 bis, 133 en 135§2;

Gelet op de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1973, 10 januari 1980, 28 december 1989, 20 september 1998 en 8 februari 2001;

Gelet op het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, gewijzigd bij decreet van 10 november 2005 en bij decreet van 18 april 2008;

Gelet op het besluit van 14 mei 2004 van de Vlaamse regering tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria;

Overwegende dat de gemeentelijke overheid krachtens artikel 135§2 van de nieuwe gemeentewet, moet instaan voor een goede politie en ondermeer de openbare reinheid, gezondheid, veiligheid en rust moet waarborgen;

Overwegende dat de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria onderworpen zijn aan het gezag, de politie en het toezicht van de gemeentelijke overheden die ervoor moeten zorgen dat er geen wanorde heerst, dat er geen handelingen verricht worden die strijdig zijn met de aan de overledenen verschuldigde eerbied en dat er geen ontgravingen gebeuren zonder dat daartoe verlof werd verleend;

Overwegende dat het noodzakelijk is om het huidig politiereglement op de begraafplaatsen en het huidig huishoudelijk reglement op de begraafplaatsen, beide goedgekeurd in de gemeenteraadszitting van 8 mei 2001, in overeenstemming te brengen met het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en het besluit van 14 mei 2004 van de Vlaamse regering tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria;

Overwegende dat de gemeenteraad de uitoefening moet regelen van ieder recht om, tenzij de overledenen anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzeten, op het graf van zijn verwante of vriend een grafteken te doen plaatsen; dat de gemeenteraad bevoegd is om alles te regelen wat betrekking heeft op de afmetingen van de graftekens en de aard van de te gebruiken materialen;

Overwegende bovendien, dat de gemeenteraad de afstand tussen de grafkuilen bepaalt;

Overwegende dat de gemeenteraad bevoegd is om het tarief en de voorwaarden voor het verlenen van de concessies vast te stellen; dat de gemeenteraad concessies kan verlenen, maar deze bevoegdheid kan delegeren aan het college van burgemeester en schepenen;

Gelet op de beslissing om de overtredingen op het politiereglement op de begraafplaatsen te sanctioneren met administratieve sancties, overeenkomstig de Wet van 13 mei 1999 en latere wijzigingen  inzake de invoering van de gemeentelijke administratieve sancties;

Besluit unaniem:

Het huidig huishoudelijk- en politiereglement op de begraafplaatsen en lijkbezorging, zoals vastgesteld op zitting van 8 mei 2001, op te heffen en te vervangen door navolgend reglement op de begraafplaatsen:

1. Definities.

Art. 1.

In dit reglement worden volgende begrippen gebruikt:

-        As: overblijfsel van een gecremeerd stoffelijk overschot.

-        Begraafplaats: een terrein waar overledenen begraven worden.

-        Columbariumnis: betonnen element dat dient als bewaarplaats voor één of twee asurnen en dat door
         middel van een plaat wordt afgesloten.

-        Concessie: een administratief contract of grondvergunning waarbij de concessieverlenende overheid een gebruiker toelaat een perceel
         van het openbaar domein exclusief en tijdelijk te gebruiken, maar op precaire en herroepbare wijze.

-        Decreet: decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en lijkbezorging.

-        Graf: laatste rustplaats voor een lijk of asresten.

-        Graftekens: gewone grafstenen, monumenten, confessionele en niet confessionele symbolen.

-        Mortuarium: gebouwtje bij een verpleeghuis en dergelijke waar lijken in een aangepaste koelinstallatie bewaard worden.

-        Stoffelijk overschot: dood lichaam of asresten van een mens waarvan het overlijden is vastgesteld door de
         ambtenaar van de Burgerlijke Stand.

-        Strooiweide: een afgescheiden grasperk van de begraafplaats, waarop as van een gecremeerde wordt uitgestrooid en dat
         enkel en alleen voor dit doel mag gebruikt worden.

-        Ter aarde bestellen: het begraven van lijken of as in volle grond.

-        Urne: vaas in aardwerk of kunststof ter bewaring van de as van een gecremeerd stoffelijk overschot.

2. Toepassingsgebied.

Art. 2.

De gemeente Moerbeke beschikt over 3 begraafplaatsen, met name:

-        Centrum

-        Kruisstraat

-        Koewacht

Art. 3.

Iedere begraafplaats beschikt naast de ruimte voor begraving in volle grond over een urnenveld, een strooiweide, een columbarium en een kinderperk.

Een foetusveld is enkel beschikbaar op de begraafplaats Centrum.

Geen van de begraafplaatsen beschikt over een mortuarium of dodenhuisje.

3. Pleegvormen die de begravingen/crematies voorafgaan.

3.1 Vaststelling overlijden.

Art. 4.  

Elk overlijden in de gemeente wordt onmiddellijk aangegeven aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Dit geldt eveneens in geval van ontdekking van een menselijk lijk op het grondgebied van de gemeente.

Art. 5.

Diegenen die voor de begraving instaan, regelen met het gemeentebestuur de formaliteiten betreffende de begrafenis. Bij ontstentenis daaraan, wordt door het gemeentebestuur het nodige gedaan op kosten van het nalatenschap.

Art. 6.

§1 Het stoffelijk overschot van behoeftigen, ingeschreven in het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister of het stoffelijk overschot van onbekende personen gevonden op het grondgebied van de gemeente wordt door de zorgen van het gemeentebestuur op behoorlijke wijze gekist, vervoerd en begraven of gecremeerd.

§2. Bij de bepaling van de wijze van lijkbezorging zal rekening worden gehouden met de schriftelijke wilsuiting van de overledene. Met schriftelijke wilsuiting van de overledene wordt bedoeld hetzij de kennisgeving van de laatste wilsbeschikking over de wijze van lijkbezorging, gericht aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand, hetzij een testament, hetzij een gezamenlijk verzoek van de nabestaanden voor uitstrooiing, begraving of bewaring van de as op een andere plaats dan de begraafplaats.

Met het gezamenlijke schriftelijke verzoek van de betrokken nabestaanden als er geen geschreven wilsuiting van de overledene bestaat, wordt bedoeld een door alle betrokken nabestaanden ondertekende verklaring met vermelding van de naam, voornamen en adres van de nabestaande die de zorg voor de as zal dragen én van de exacte plaats waar de as van de overledene zal worden uitgestrooid, begraven of bewaard.

§3. Bij de naleving van de wilsuiting van de overledene moet een evenwicht worden gevonden tussen de naleving van die keuze en een gezond beheer van de gemeentefinanciën. De gemeente heeft het recht om de laatste wilsbeschikking af te wijzen wanneer deze wilsbeschikking aanzienlijke kosten meebrengt voor de omhulling van het lijk, de kisting, het vervoer en/of het graf.

3.2. Toestemming tot crematie.

Art. 7.

Voor crematie is een toestemming vereist die wordt verleend door:

1° de ambtenaar van de Burgerlijke Stand waar het overlijden werd vastgesteld, indien dat overlijden in een gemeente van het Vlaams Gewest heeft plaatsgehad;
OF
2° de procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt, indien het overlijden heeft plaatsgehad buiten een gemeente van het Vlaams Gewest.

Art. 8.

De toestemming mag niet verleend worden vóór het verstrijken van een termijn van 24 uren, ingaande met de ontvangst van de aanvraag om toestemming.

Art. 9.

§1. Bij de aanvraag om toestemming moet een attest worden gevoegd waarin de behandelende geneesheer of de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld, vermeldt of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak.

Geldt de aanvraag het lijk van een in België overleden persoon, en heeft de in het bovenstaand lid bedoelde geneesheer bevestigd dat het een natuurlijk overlijden betreft, dan moet bovendien het verslag worden bijgevoegd van een beëdigd geneesheer die door de ambtenaar van de burgerlijke stand uit de eigen gemeente of een andere gemeente van het Vlaamse Gewest is aangesteld om de doodsoorzaken na te gaan. In dat verslag wordt vermeld of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke of gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak.

Het ereloon en alle daaraan verbonden kosten van de door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand aangestelde geneesheer vallen ten laste van het gemeentebestuur van de woonplaats van de overledene.

§2. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand moet het dossier aan de procureur des Konings van het arrondissement zenden wanneer omstandigheden het vermoeden van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden wettigen of wanneer de geneesheer in een van de onder §1 voorgeschreven documenten, niet heeft kunnen bevestigen dat er geen tekens of aanwijzingen van een gewelddadige of verdachte of niet vast te stellen oorzaak van overlijden zijn.

In dat geval kan de toestemming tot crematie eerst worden verleend nadat de procureur des Konings aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand heeft laten weten dat hij er zich niet tegen verzet.

3.3. Verlof tot begraven.

Art. 10.

Ten vroegste 24 uur doch uiterlijk binnen de tien dagen volgend de dag van het overlijden en na afgifte van het “verlof tot vervoer van het lijk en van as”, vindt de begraving van niet-gecremeerde stoffelijke overschotten of de crematie met daarop volgend de begraving, de bijzetting of de verstrooiing van as, plaats.

Deze termijn kan mits bijzondere redenen bij beslissing van de burgemeester verlengd worden.

Indien echter het overlijden te wijten is aan een besmettelijke ziekte of een ziekte die de natuurlijke en normale ontbinding van het lichaam versnelt of een andere oorzaak die de openbare gezondheid in gevaar zou kunnen brengen kan de burgemeester bevelen onmiddellijk te begraven.

Art. 11.

Er kan begraven, bijgezet of uitgestrooid worden op weekdagen en op zaterdagen van 8 tot 17 uur, niet op zondagen, wettelijke feestdagen, 2 januari, 11 juli, 2 november, 15 november en 26 december. De burgemeester of zijn gemachtigde kan, mits gemotiveerd verzoek, afwijkingen toestaan.

Enkel het aangestelde gemeentepersoneel is bevoegd tot begraven, bijzetten en uitstrooien. Het gemeentebestuur beslist in elk geval over dag en uur van de begrafenis.

3.4 Kisting.

Art. 12.

Behalve wanneer de openbare gezondheid het anders vereist, mag slechts tot vormneming, balseming of kisting worden overgegaan nadat het overlijden is vastgesteld door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand en hij een verlof tot begraven of cremeren heeft afgeleverd. 

Art. 13.

Onmiddellijk nadat het verlof tot begraving is uitgereikt, moet het lijk in een doodskist of ander lijkomhulsel geplaatst worden.

De burgemeester of zijn gemachtigde mag de kisting bijwonen om de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen na te gaan. Indien de overledene een implantaat draagt dat werkt op een batterij moet het implantaat verwijderd worden vóór de definitieve kisting, zowel in geval van begraving als van crematie.

Een balseming of enige andere conserverende behandeling, voorafgaand aan de kisting, kan in de door de Vlaamse regering bepaalde gevallen toegelaten worden.

Art. 14.

De kisting van het naar het buitenland (met uitzondering van Luxemburg en Nederland) te vervoeren stoffelijk overschot heeft plaats in aanwezigheid van de burgemeester of zijn gemachtigde, die de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen nagaat.

Art. 15.

Voor de begraving in volle grond

-        is het gebruik van lijkkisten, foedralen, lijkwaden, producten en procédés die de natuurlijke of normale ontbinding van
         de stoffelijke overschotten verhinderen, verboden;

-        is de verwijdering van een implantaat dat werkt op een batterij verplicht. Een attest van de geneesheer
         die het overlijden vaststelt moet voorgelegd worden.
         De verwijdering  van het implantaat mag in geen enkel geval door het gemeentepersoneel gebeuren.

Art. 16.

Behalve om te voldoen aan een gerechtelijke beslissing, mag de kist na de kisting niet meer geopend worden.

4. Lijkenvervoer.

Art. 17.

Het lijkenvervoer wordt waargenomen door private ondernemingen en onder toezicht van het gemeentebestuur die ervoor zorgt dat ze ordelijk, welvoeglijk en met de aan de doden verschuldigde eerbied verloopt.  Het vervoer dient steeds in de kortst mogelijke afstand te gebeuren.

a) Vervoer van niet-gecremeerde stoffelijke overschotten.

Art. 18.

§1. Het vervoer van een niet-gecremeerd stoffelijk overschot binnen het Vlaamse Gewest kan plaatsvinden vanaf het moment dat de behandelend geneesheer of de geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld, een attest heeft opgesteld waarin hij verklaart dat het om een natuurlijke doodsoorzaak gaat en dat er geen gevaar voor de volksgezondheid is.

§2. Niet-gecremeerde stoffelijke overschotten moeten individueel met een lijkwagen of op een passende wijze worden vervoerd. Hiervan kan worden afgeweken in geval van rampsituaties.

Art. 19.

Zijn verboden, behoudens machtiging van de burgemeester of zijn gemachtigde:

a)     het vervoer, buiten het grondgebied van de gemeente, van stoffelijke overschotten die er overleden of dood aangetroffen werden;

b)      het vervoer, naar een plaats op het grondgebied van de gemeente, van stoffelijke overschotten die er niet zijn overleden
         of dood aangetroffen werden.

In het in a) vermelde geval, wordt de machtiging slechts verleend op voorlegging van een document waaruit het akkoord blijkt van de burgemeester van de plaats van bestemming.

Art. 20.

Voor het vervoer naar een rouwcentrum buiten de gemeente, in afwachting van een begrafenis binnen de gemeente, kan door de burgemeester aan een private onderneming een permanente toelating worden verleend.

Voor het vervoer naar een rouwcentrum binnen de gemeente, in afwachting van een begrafenis buiten de gemeente, kan door de burgemeester aan een private onderneming een permanente toelating worden verleend.
Dit artikel is niet van toepassing indien het vervoer geschiedt op bevel van de gerechtelijke overheid belast met een rechterlijk vooronderzoek.
Vervoer naar het buitenland is onderworpen aan formaliteiten vermeld in:

a)     het K.B. van 8 maart 1967, wanneer het stoffelijk overschot naar Nederland of Luxemburg moet vervoerd worden;

b)     het akkoord van Straatsburg van 26 oktober 1973, wanneer het stoffelijk overschot moet vervoerd worden naar een ander land
        dan vermeld onder a) en dat het akkoord van Straatsburg ondertekend heeft;

c)     het Regentbesluit van 20 juni 1947, wanneer het stoffelijk overschot moet vervoerd worden naar een land, niet bedoeld in a) of b).

b) Vervoer van gecremeerde stoffelijke overschotten.

Art. 21.

Het vervoer van de as is vrij, doch dient te gebeuren volgens de regels van de welvoeglijkheid.

5. Mortuarium.

Art. 22.

Er wordt gebruik gemaakt van het mortuarium van het Woon- en Zorgcentrum Ter Moere van het OCMW van Moerbeke.

Het mortuarium dient voor:

  1. het bewaren in afwachting van de begraving, van de gevonden stoffelijke overschotten die nog dienen geïdentificeerd te worden;
  2. het ontvangen van het stoffelijk overschot van overleden personen die, om ernstige redenen door de burgemeester aangenomen, niet kunnen bewaard worden op de plaats van overlijden of hun woonplaats;
  3. het opnemen van stoffelijke overschotten waarop een lijkschouwing moet worden verricht ingevolge gerechtelijke beslissing;
  4. het bewaren van stoffelijke overschotten voor de vrijwaring van de openbare gezondheid;
  5. het bewaren van stoffelijke overschotten waarvan de overbrenging is gevraagd door de familie of, bij ontstentenis door elke belanghebbende, na machtiging van het gemeentebestuur.

6. Begravingen.

6.1 Algemeen.

Art. 23.

De gemeentelijke begraafplaatsen zijn bestemd voor:

- het begraven van lijken, foetussen en urnen;

- het bijzetten van urnen in een columbariumnis;

- het verstrooien van de as op de strooiweide;

van de personen die:

a) overleden zijn op het grondgebied Moerbeke of er levenloos gevonden worden;

b) overleden zijn buiten het grondgebied Moerbeke, maar ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister of
    wachtregister van het gemeentebestuur;

c) begunstigde zijn van een graf- of nisconcessie te Moerbeke;

d) niet vermeld zijn in a), b)en c) uitzonderlijk en voor zover de overledene een bijzondere relatie heeft gehad met de gemeente kan
    de burgemeester toestemming geven tot begraving op een gemeentelijke begraafplaats.

Art. 24.

De begravingen, bijzettingen en verstrooiingen worden verricht op delen van de begraafplaats door de burgemeester aangewezen en in de door hem vastgestelde volgorde.

Art. 25.
De begraving vindt plaats in volle grond. Bovengronds begraven wordt niet toegestaan.

Art. 26.

Na het zinken van de kist, urne of een ander lijkomhulsel moet de kuil gevuld worden met losse aarde die goed aangedrukt wordt.

Art. 27.

In het daartoe bestemd perceel op de begraafplaats mogen enkel opgegraven beenderen verzameld en begraven worden.

Art. 28.

Op de begraafplaats mogen enkel de gekiste lijken en de urnen waarin de as van de verbrande lijken zich bevindt, gebracht worden om er een rouwceremonieel te houden en te begraven.

6.2. Levenloos geboren kinderen.

Art. 29.

§1. Levenloos geboren kinderen die de wettelijke levensvatbaarheidgrens nog niet hebben bereikt, worden op verzoek van de ouders begraven op de foetusweide van de begraafplaats Centrum. Dit betreft een gemeenschappelijke foetusweide voor gans Moerbeke.

De naaste verwant meldt deze begraving aan de dienst begraafplaatsen minstens twee werkdagen vooraf.

§2. Levenloos geboren kinderen die de wettelijke levensvatbaarheidgrens nog niet hebben bereikt, kunnen na een zwangerschapsduur van ten volle 12 weken op verzoek van de ouders begraven of gecremeerd worden. Het stoffelijk overschot of de asurne van het levenloos geboren kind kan dan begraven worden in het perceel voorzien in art. 57 van dit reglement of op de gewone begraafplaats.

6.3 Afmetingen percelen.

a) Geconcedeerde gronden.

Art. 30.

§1.

Lengtee

Breedte

a) Percelen voor begravingen in volle grond

2 m

1 m

b)Percelen bestemd voor de begraving van urnen

0,5 m

0,5 m

c) Kindergraf

1,5 m

1 m

§2. Behoudens in een kindergraf en grafconcessie voor begraving in volle grond, kunnen in een concessie maximum twee urnen bijgezet worden of twee urnen begraven worden. In een grafconcessie voor begraving in volle grond kan slechts één persoon begraven worden, maar mag wel een urne bijgezet worden. Bij overlijden kunnen wel steeds twee concessies naast elkaar gekocht worden voor begraving in volle grond.

§3. In een kindergraf kan maximum 1 persoon begraven worden.

§4. Indien het gaat om oude grafkelders die opnieuw in gebruik worden genomen en die oorspronkelijk dienden om meer dan 2 personen in te begraven, kan de burgemeester of zijn afgevaardigde een afwijking toestaan op bovenstaande §2.

b) Niet-geconcedeerde gronden.

Art. 31.
§1. In een niet-geconcedeerd graf kan maximum 1 persoon begraven worden of 1 urne worden bijgezet.

§2. Een niet-geconcedeerd graf of nis wordt minstens 15 jaar bewaard. Dergelijk graf mag enkel verwijderd worden nadat gedurende een jaar een afschrift van de beslissing tot verwijdering werd uitgehangen aan de ingang van de begraafplaats en bij het graf of de nis.
Zo de graftekens en de zich op de graven of aan de nis bevindende voorwerpen binnen het jaar gedurende hetwelk het afschrift van de beslissing tot verwijdering uithangt niet zijn opgeruimd, worden zij ambtshalve weggenomen.

§3. Indien 15 jaar na de laatste bijzetting, de niet-geconcedeerde nissen in het columbarium dienen vrijgemaakt te worden, zorgt het gemeentebestuur voor de verstrooiing van de as op de verstrooiingsweide van de begraafplaats. De verstrooiing zal aangekondigd worden aan de ingang van de begraafplaats.

7. Ontgravingen.

Art. 32.

Behoudens de ontgravingen door de gerechtelijke overheid bevolen, mag geen ontgraving worden verricht dan met een schriftelijke toelating van de burgemeester.

Het verlenen van een toestemming tot ontgraven door de burgemeester kan enkel om ernstige redenen.

Alle kosten verschuldigd bij een ontgraving worden vastgesteld door het belastingreglement. Alle kosten zijn ten laste van de aanvragers.

Art. 33.

De ontgraving is slechts toegelaten:

-        om een lijk of de urne over te brengen van een niet-geconcedeerd graf  naar een geconcedeerd graf;

-        op bevel van de gerechtelijke overheid;

-        wegens een bestuurlijke beslissing met name bij de terugneming van het geconcedeerd perceel of de nis wegens een openbaar 
         belang of dienstnoodwendigheden;

-        om ernstige redenen.

Art. 34.

De aanvraag moet door de nabestaande schriftelijk, gedateerd en ondertekend, gericht worden aan de burgemeester. Onverminderd het recht van de burgemeester om in de toelating bijzondere voorwaarden op te leggen, moeten steeds volgende beschikkingen worden nageleefd:

a)     dag en uur waarop de ontgraving zal geschieden worden in overleg met de dienst van de begraafplaatsen vastgesteld;

b)     het grafteken, de beplantingen en alle andere voorwerpen die het openleggen van het graf kunnen bemoeilijken of beletten moeten
        verwijderd worden vooraleer tot de ontgraving wordt overgegaan en dit op kosten van de aanvrager;

c)     de ontgravingen en de herbegravingen moeten zo vroeg mogelijk in de morgen zonder onderbreking, worden uitgevoerd; 

d)     het openleggen van het graf, het openen van de grafkelders, het lichten van de kist uit het graf en het vullen van de kuil geschieden
        door de zorgen van de gemeente;

e)     het openen van de nis, het uitnemen van de urne uit de nis en het terug sluiten van de nis, geschieden door de zorgen van de gemeente;

f)      tijdens de ontgraving wordt de plaats ervan visueel voor het publiek afgeschermd.

Art. 35.

Behalve bij gerechtelijk bevel en bij afwijkingen toegestaan door de burgemeester, worden geen ontgravingen gedaan op zaterdagen, zondagen, wettelijke feestdagen, 2 januari, 11 juli, 2 november, 15 november en 26 december.

Ontgravingen worden gedaan door het daartoe aangesteld gemeentepersoneel, in het bijzijn van:

1. de aanvrager of zijn bijzonder gevolmachtigde;

2. een beambte belast met het toezicht op de begraafplaats;

3. een politiebeambte die van de verrichtingen proces-verbaal opstelt, dat hij zonder uitstel aan de burgemeester overhandigt.

Het hiertoe aangesteld gemeentepersoneel kan de vernieuwing van de kist voorschrijven indien zij zulks nodig achten en elke andere maatregel nemen die van die aard is dat de welvoeglijkheid en de openbare gezondheid worden beschermd, zulks op kosten van de aanvrager.

Art. 36.

Indien het op te graven stoffelijk overschot naar een andere begraafplaats op het grondgebied of naar dit van een andere gemeente moet overgebracht worden, is het verplicht de opgegraven kist in een hermetisch gesloten omhulsel te plaatsen alvorens zij mag vervoerd worden. Bij overbrenging naar een andere gemeente is een voorafgaandelijke machtiging van enerzijds de burgemeester van de plaats waar de persoon begraven ligt en anderzijds van de burgemeester van de plaats waar de herbegraving is gepland, vereist.

Art. 37.

Voor de crematie na ontgraving is de toestemming nodig van de Procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar de aanvrager zijn hoofdverblijfplaats heeft, de plaats van overlijden, de plaats waar het stoffelijk overschot begraven is of de plaats waar het crematorium zich bevindt. Bij de aanvraag van toestemming tot ontgraving moet een attest worden gevoegd van de laatste wilsbeschikking van de overledene.

8. Graftekens, bouw- en beplantingswerken – onderhoud der graven.

8.1 Algemeen.

Art. 38.

Tenzij de overledene anders heeft beschikt of zijn verwanten zich ertegen verzetten, heeft eenieder het recht op het graf van zijn verwante of vriend een grafteken te doen plaatsen zonder afbreuk te doen aan het recht van de concessiehouder.

Art. 39.

1. De graftekens moeten derwijze in de grond geplant worden op het graf dat overhellen onmogelijk wordt; daartoe mag enkel de aarde
    goed aangedrukt worden.

2. De grafoppervlakte mag niet aangevuld worden met gelijk welke harde materie dan ook.

Art. 40.

De grafmaker zal een plaatje aanbrengen waarop registernummer en aanvangsjaar van de concessie vermeld staat. De grafmaker houdt een register bij waarin de identiteit wordt vermeld van diegene die er wordt begraven, bijgezet in een nis in het columbarium of verstrooid wordt met vermelding van de plaats ervan. In het register wordt ook de datum van begraven alsmede de plaats van begraven vermeld. 

8.2 Grafversieringen.

Art. 41. Graf

§1. Beplantingen

Niet schadelijke of hinderlijke beplantingen, met een maximum hoogte van 40 cm, zijn geoorloofd in de losse bodem van het graf; zij mogen niet buiten de afmetingen van het graf overhellen of uitgroeien. Grassoorten mogen ten hoogste 5 cm lang zijn.

§2. Sierstukken.

Het is geoorloofd een graf te versieren met sierstukken, zoals bloemtuilen, bloempotten, kransen, zinnebeelden die geen aanstoot kunnen geven. In voorkomend geval moeten de sierstukken blijvend op het graf zelf geplaatst worden. Zij moeten er evenwel van verwijderd worden indien zij stuk, of van geen nut meer zijn.

De bloemen en planten op de graven aangebracht, moeten steeds in goede staat onderhouden worden. Wanneer ze afgestorven zijn moeten ze verwijderd worden. Bij gebreke hiervan zal de opruiming en het verwijderen van de potten geschieden door de zorgen van het gemeentebestuur.

Bloemen en planten uit kunstmatig materiaal mogen niet geplaatst worden in omhulsels, geheel of ten dele vervaardigd uit breekbaar glas.

§3. Afsluitingen en andere attributen.

Rond de graven mogen geen afsluitingen of omheiningen geplaatst worden. Kniel- en bidbanken zijn niet toegelaten.

Art. 42. Columbarium – strooiweide

Het is de concessiehouder toegelaten op de afsluitplaat van de nis van het columbarium een foto aan te brengen waarvan de afmetingen 4,5 cm op 4,5 cm niet mogen overschrijden.

Op de afsluitplaten van de nissen in het columbarium kan een siervaasje aangebracht worden. 

Het is verboden aan het columbarium, behalve het toegestane vaasje, of op de strooiweide sierstukken te bevestigen of neer te leggen. Natuurlijke bloemen en bloemenkransen kunnen ter gelegenheid van de bijzettingen of de asverstrooiingen aan de voet van het columbarium en aan de rand van de strooiweide worden neergelegd op de door de grafmaker aangeduide plaats. Nadat de bloemen verwelkt zijn zullen zij door de zorgen van het personeel worden weggenomen.

Art. 43. Herdenkingszuil

Ter nagedachtenis van de personen van wie de as werd uitgestrooid, wordt op iedere begraafplaats in de omgeving van de strooiweide een herdenkingszuil opgericht.

Op deze zuil wordt op uitdrukkelijk verzoek van de nabestaanden, tegen betaling, een éénvormig gedenkplaatje aangebracht voor een periode van 15 jaar.
Op dit gedenkplaatje zal een tekst worden gegraveerd met de naam, de voornaam, het geboortejaar, de overlijdensdatum van de overledene. Het gemeentebestuur bepaalt het model, de afmetingen, het materiaal, de inhoud en de manier van graveren.

Indien de overledene gehuwd of samenwonend was, kan geopteerd worden voor twee gedenkplaatjes. In dit geval worden de volgende gegevens vermeld: de naam, de voornaam, de vermelding “echtg.” Of “levensgezel” gevolgd door de naam en voornaam van de overledene.

De gedenkplaatjes worden door toedoen van de gemeente op de herdenkingszuil aangebracht.

Art. 44. Urnenveld

De urnen worden begraven op een diepte van 80 cm. Op deze graven wordt door het gemeentebestuur een platte grafsteen aangebracht op gelijke hoogte met het maaiveld. Deze grafsteen is uit blauwe hardsteen en meet 50cm x 50cm x 3cm. Op deze steen mogen alleen de naam, evenals het geboorte- en overlijdensjaar aangebracht worden.

Art. 45. Gemeenschappelijke bepalingen

Het gemeentebestuur staat niet in voor de bewaking van de op de graven geplaatste voorwerpen.

Art. 46.

Bij overtreding van bovenstaande bepalingen zullen niet reglementaire graftekens, sierstukken en versierselen op risico en ten laste van de overtreder en zonder enig verhaal opgeruimd worden door de zorgen van de gemeente.

8.3 Onderhoud en verwaarlozing der graven.

Art. 47.

§1 De graftekens en hun omgeving moeten voortdurend in perfecte staat van bewaring, onderhoud en reinheid gehouden worden gedurende de hele concessieperiode. De verantwoordelijke families of belanghebbenden moeten elk grafteken dat bouwvallig of vervallen is, doen herstellen of wegnemen. Het onderhoudsverzuim, dat verwaarlozing van het graf voor gevolg heeft, wordt door de burgemeester in een akte vastgesteld, die een jaar lang aangeplakt blijft bij het graf en aan de ingang van de begraafplaats. Bij het verstrijken van die termijn en bij niet-herstelling, wordt de concessie beëindigd door het college van burgemeester en schepenen en wordt van ambtswege overgegaan tot afbraak en/of tot het wegnemen van de materialen (graftekens en eventueel nog bestaande ondergrondse bouwwerken,…) op kosten van de familie of ander belanghebbende. Alle materialen worden eigendom van de gemeente en worden van het graf verwijderd.

§2 Het onderhoud van zowel geconcedeerde als niet-geconcedeerde gronden of nissen berust bij de belanghebbenden. Verwaarlozing als gevolg van onderhoudsverzuim kan vastgesteld worden als het graf doorlopend onzindelijk, door plantengroei overwoekerd, vervallen, ingestort of bouwvallig of wanneer het gedenkteken overhelt of verrot is.

§3 In geval het verwaarloosde graf een onmiddellijk hygiënisch of veiligheidsrisico vormt, kan, na pogingen om de belanghebbenden terug te vinden en na hen aangespoord te hebben om een einde te maken aan de verwaarlozing binnen een redelijke termijn, bij besluit van het college van burgemeester en schepenen, na het verstrijken van die termijn, het grafteken zonder verwijl en zonder verhaal of aanspraak op vergoeding, geheel of gedeeltelijk worden weggenomen. Het collegebesluit wordt gedurende die termijn eveneens aangeplakt aan het graf  en aan de ingang van de begraafplaats.

8.4 Grafconstructies.

a) Grafkelders.

Art. 48.

Er mogen geen nieuwe grafkelders meer geplaatst worden op de verschillende begraafplaatsen.

Grafkelders, in gebruik genomen voor 1/7/2004 – datum inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit- en na die datum ontruimd en opnieuw in gebruik genomen, moeten aan de voorwaarden van artikel 33 van het uitvoeringsbesluit van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen voldoen.

Grafkelders die al in gebruik genomen zijn voor 1/7/2004 en die niet ontruimd zijn en waarin nog bijzettingen gebeuren, moeten nog niet aangepast worden aan de vereisten van artikel 33 van het uitvoeringsbesluit van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen.

b) Graftekens.

1.  Niet-geconcedeerde gronden.

Art. 49.

Op niet-geconcedeerde gronden mogen dezelfde graftekens worden aangebracht als op geconcedeerde gronden.

Art. 50.

Voor de in voorgaand artikel vermelde graftekens gelden de bepalingen van artikel 56.

2. Geconcedeerde en niet-geconcedeerde columbariumnis.

Art. 51.

De columbaria worden geplaatst naargelang de behoefte en naar inzichten van het gemeentebestuur. De opening bevindt zich langs de voorkant van het element en wordt door de zorgen van het gemeentebestuur afgesloten met een uniforme afsluitplaat.

Art. 52.

De concessiehouder is verplicht op de afsluitplaten van de nissen in het columbarium door de zorgen van de gemeentebestuur, tegen betaling, een naamplaat te laten aanbrengen.

Deze plaat vermeldt de naam, de voornaam, het geboortejaar, het jaar van overlijden en eventueel een symbolisch teken.

Geen enkel ander teken, plaat of vermelding mag op de afsluitplaten aangebracht worden.

Het niet naleven van deze richtlijnen staat gelijk met onderhoudsverzuim zoals voorzien in artikel 47 van onderhavig reglement.

Bij het verstrijken van de termijn of bij het einde van de concessies zullen de naamplaten door het gemeentepersoneel worden verwijderd en, indien mogelijk, aan de eigenaar of belanghebbende teruggegeven worden.

3. Geconcedeerd en niet-geconcedeerd urnenveld.

Art. 53.

Op het urnenveld wordt door het gemeentebestuur een platte grafsteen in blauwe hardsteen gelegd waarop de naam, voornaam, geboorte- en sterftejaar van de overledene door de familie kan worden aangebracht. De afmetingen van de plaat zijn, zoals omschreven in artikel 44, 50cm x 50cm x 3cm.

4. Foetusweide.

Art. 54.

Op de foetusweide kan een steen als gedenkteken gelegd worden bij de gedenkrots door de aangestelde van het gemeentebestuur. Er mogen geen individuele aanduidingen, zoals de naam van de foetus of van de ouders, worden vermeld en geplaatst.

5. Geconcedeerde gronden.

Art. 55.

De concessiehouder is verplicht binnen het jaar vanaf de aanvangsdatum van de concessie op geconcedeerde gronden een grafteken in duurzaam materiaal te plaatsen;

5.1 Graf.

Art. 56.
De graftekens of zerken te plaatsen op geconcedeerde graven moeten beantwoorden aan de volgende voorschriften:

  1. Op de gewone graven moeten de grafstenen opgericht worden met materialen die tegen het weer bestand zijn: natuursteen, blauwe hardsteen, marmer, witte steen, graniet en andere duurzame materialen; geen andere grondstoffen zijn geoorloofd;
  2. Graftekens andere dan grafstenen, mogen enkel uit hout vervaardigd zijn en 1,10 m hoog zijn. Zij moeten geverfd zijn met een houtkleur. Voor de kindergraven wordt die afmeting teruggebracht tot 0,80 m;
  3. Indien zij de ganse oppervlakte beslaan, mogen zij maximum 1,80 m lang, 1,30 m hoog en 0,95 m breed zijn;
  4. Daar waar twee concessies genomen worden naast elkaar en slechts één concessie momenteel gebruikt wordt voor het begraven, mag één grafsteen worden opgericht op deze concessie op voorwaarde dat de grond van de niet gebruikte concessie duidelijk wordt afgebakend door een boordsteen;

5.2 Kindergraf.

Art. 57.

Op het perceel voorzien voor het begraven van foetussen van ten volle 12 weken en van kinderen  van minder dan 12 jaar met een grafconcessie van 50 jaar mag enkel een rechtstaande grafsteen opgericht worden.

Het grondvlak moet 100cm breed en 20 cm diep zijn en de hoogte mag maximaal 100cm zijn.

6. Oprichting.

Art. 58.

De grafstenen moeten opgericht worden binnen het jaar vanaf de aanvangsdatum van de concessie.

Art. 59.

Alvorens op de begraafplaatsen te worden toegelaten, moeten de voor het grafteken bestemde materialen volledig afgewerkt en gekapt zijn en gereed om onmiddellijk geplaatst te worden.
Geen enkel hulpmateriaal, restmateriaal mag binnen de omheining van de begraafplaats worden achtergelaten. De materialen worden aangevoerd en geplaatst naarmate de behoeften.

Na een zonder gevolg gebleven ingebrekestelling wordt er op bevel van de burgemeester van ambtswege overgegaan tot de wegneming van de materialen op kosten van de overtreder.

Vaste betonconstructies en funderingen uit steenslag zijn niet toegelaten.

7. Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 60.

Zij die de grafconstructies plaatsen moeten in acht nemen:

 1. Dat geen aarde, materiaal, bouwstukken of andere voorwerpen gelegd worden of terecht komen op andere graven, grafzerken,
     grafversieringen en dergelijke.

 2. Dat de overblijvende aarde, de opgegraven beenderen of andere voorwerpen verzameld en gebracht worden op de plaats door
     de grafmaker aangewezen.

 3. Dat de begonnen werken zonder onderbreking worden uitgevoerd.

 4. Dat de bomen of enigerlei inplantingen niet worden gebruikt als aanhechtingspunten voor stellingen, koorden, kabels of wat ook.

 5. Dat de lanen, paden, wegels en dergelijke na de werken onmiddellijk worden hersteld in hun oorspronkelijke staat, derwijze dat de
     kleinste verzakking niet kan waargenomen worden na een maand.

 6. Dat de graafwerken en de oprichting van bouwstukken geschieden volgens de vastgestelde afmetingen.

 7. Dat de identificatietekens van de graven of van de concessies onmiddellijk na de werken op de grafruimte worden geplaatst.

 8. Dat de op de begraafplaatsen toegelaten voertuigen die voor het werk gebruikt zijn onmiddellijk van de begraafplaats verwijderd worden.

 9. Dat bij een begrafenis de lanen en de paden vrij worden gemaakt.

10. Het openen en sluiten van een grafkelder gebeurt onder toezicht van het gemeentepersoneel, daartoe zal datum en uur afgesproken 
     worden met de grafmaker.

12. Vanaf de voorlaatste werkdag van oktober tot en met 2 november is het verboden, behoudens toestemming van de burgemeester, op
     de  gemeentelijke begraafplaats graftekens te plaatsen, bouw-, beplantings- of aanaardingswerken aan de graven uit te voeren.
     Dit verbod geldt niet voor het neerleggen van eenvoudige draagbare kransen, bloemen, medaillons enz. Gewone reiniging en onderhoud
     mag wel op zaterdagmiddag gebeuren.

13. de schade aangebracht aan het openbaar domein van de gemeentebestuur wordt van ambtswege hersteld op kosten van de
     aansprakelijke persoon.

9. Concessies.

9.1. Algemene bepalingen.

Art. 61.

Op de gemeentelijke begraafplaatsen worden concessies verleend. 

Deze hebben betrekking op:

- ofwel een perceel grond;

- ofwel een nis in een columbarium.

Art. 62.

De concessies geven geen recht op eigendom, zelfs geen recht op vruchtgebruik. Zij kunnen enkel verleend worden aan natuurlijke personen. Zij zijn onvervreemdbaar en kunnen niet afgestaan worden tenzij aan het gemeentebestuur. Zij bevatten voor de gemeentebestuur enkel de verplichting voor een bepaalde duur een ruimte of een nis voor te behouden voor de begraving of bijzetting van één of meer lichamen en/of asurnen. Er mag aan de concessie nooit een andere bestemming worden gegeven dan die waarvoor ze werd verleend.

Art. 63.

Een zelfde concessie mag slechts dienen voor het begraven van:
- ofwel het stoffelijk overschot van de aanvrager, van zijn echtgenoot, van zijn bloed- of aanverwanten,
- ofwel het stoffelijk overschot van de aanvrager en van diegene waarmee hij op het ogenblik van overlijden een feitelijk gezin vormt;
- ofwel het stoffelijk overschot van personen daartoe aangewezen door de concessiehouder en die daartoe bij de stedelijke overheid hun
  wil te kunnen hebben gegeven om in eenzelfde graf begraven te worden;
- ofwel het stoffelijk overschot van derden en hun familie door de concessiehouder aangewezen. 

Wijzigingen kunnen door het college van burgemeester en schepenen worden toegestaan conform artikel 67§3 met dien verstande dat de bijzetting beperkt blijft tot de in dit artikel aangeduide rechthebbenden.

De concessies worden enkel toegestaan op de plaatsen daarvoor aangewezen op de begraafplaatsen volgens de door de gemeenteraad goedgekeurde plannen. In geen geval mag er een vergunning verleend worden op de plaats die bestemd is voor niet-vergunde gronden.

Art. 64.
De grafconcessies worden verleend voor een periode van 30 jaar of voor een periode van 50 jaar.

Art. 65.

Het college van burgemeester en schepenen wordt gemachtigd om:

- grafconcessies te verlenen,

- grafconcessies te hernieuwen,

- grafconcessies te beëindigen in geval van onderhoudsverzuim, 
  onder de voorwaarden  vastgesteld in dit reglement en het desbetreffende tariefreglement, dat geldt op het ogenblik van de aanvraag.

9.2. Concessieaanvraag.

Art. 66.
§1 De concessieaanvraag wordt schriftelijk gericht aan het college van burgemeester en schepenen.
De concessieaanvraag vermeldt de identiteit van de aanvrager en duidt de tot bijzetting gerechtigde personen nominatief aan.
De concessieaanvraag is slechts ontvankelijk bij overlijden van de persoon wiens stoffelijk overschot zal worden begraven in volle grond of, bij lijkverbranding, in het columbarium of in het urnenveld zal worden bijgezet. De aanvrager moet instaan voor de betaling van de verschuldigde concessievergoeding.

§2 De concessie is niet overdraagbaar. De houder beschikt over het exclusieve recht om te bepalen wie gebruik kan maken van de concessie. Hieruit vloeit voort dat wanneer de concessiehouder overleden is, de lijst van de begunstigden onveranderlijk komt vast te staan.

§3 Het college van burgemeester en schepenen kan in uitzonderlijke gevallen wijzigingen in de concessiebestemming toestaan. De aanvraag tot wijziging wordt gemotiveerd ingediend door de concessiehouder. Alle oorspronkelijk aangeduide rechthebbenden die nog in leven zijn, tekenen mee voor akkoord. Indien alle rechthebbenden overleden zijn en er zijn nog plaatsen in de concessie beschikbaar, dan kan het college van burgemeester en schepenen, op vraag en met instemming van alle erfgenamen een wijziging van concessiebestemming toestaan. Deze wijziging is niet mogelijk wanneer de oorspronkelijke concessiehouder uitdrukkelijk voorzien heeft dat geen wijzigingen in de nominatief aangeduide personen mogen worden aangebracht.

Art. 67.
De duur van de concessie neemt aanvang op de datum van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. Zij eindigt na verloop van de toegestane termijn.
Zij kan slechts in gebruik worden genomen na betaling van het verschuldigd tarief in handen van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

9.3. Concessiehernieuwing.

Art. 68.
De concessies kunnen op aanvraag van enige belanghebbende hernieuwd worden. De hernieuwing kan enkel geweigerd worden indien blijkt dat op het moment van de aanvraag de concessie verwaarloosd is.

Art. 69.
Minstens 1 jaar voor het verstrijken van de concessietermijn of van de hernieuwing ervan, maakt de burgemeester of zijn afgevaardigde een akte op waarbij eraan herinnerd wordt, dat een aanvraag om hernieuwing bij hem moet toekomen.
Een afschrift van deze akte wordt 1 jaar lang uitgehangen:
- bij het graf of de nis
- aan de ingang van de begraafplaats.

Art. 70.

Een hernieuwing zonder bijzetting

§1 De aanvraag dient te worden ingediend vóór de eerste vervaldatum van de concessie.
De concessie wordt hernieuwd voor een zelfde periode en tegen de prijs en de voorwaarden die gelden op het ogenblik van de aanvraag.
De burgemeester of zijn gemachtigde zal één jaar vóór het verstrijken van de concessie een akte opmaken waarbij eraan wordt herinnerd dat het behoud van het recht op de concessie afhankelijk is van een tot hem te richten aanvraag tot hernieuwing.  Er zal een afschrift van bovenvermelde akte één jaar lang aan de ingang van de begraafplaats aangeplakt worden.  Als er geen aanvraag voor vernieuwing is gedaan, vervalt de concessie.

Een hernieuwing met bijzetting

§2 De concessie kan op uitdrukkelijke aanvraag van iedere belanghebbende voor een nieuwe periode van dezelfde duur worden hernieuwd naar aanleiding van elke nieuwe bijzetting in de concessie.  Ingeval er van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt tijdens en na de laatste begraving in de concessie en indien deze begraving zich minder dan vijftien jaar vóór het verstrijken van de concessie voordoet, moet het graf voor een termijn van vijftien jaar behouden blijven. Deze vijftienjarige termijn begint te lopen vanaf de datum van overlijden.
Deze maatregel kan echter niet tot gevolg hebben dat een aanvraag tot hernieuwing van de concessie ingediend kan worden na het verstrijken van de termijn ervan.  Tevens kan geen enkele nieuwe teraardebestelling toegelaten worden in de geconcedeerde grond na dit verstrijken.
De vermeldingen in verband met duurtijd en retributie zijn identiek als deze vermeld onder punt §1. 

De retributie voor de hernieuwingen vermeld onder §1 en §2 wordt proportioneel berekend op het aantal jaren dat de vervaldatum van de vorige concessie overschrijdt.

Art. 71.
Een hernieuwing van de vroegere altijddurende concessies (afgeschaft bij wet van 20 juli 1971)

§1 Door de wet van 20 juli 1971 worden de eeuwigdurende concessies afgeschaft en worden de bestaande eeuwigdurende concessies omgezet in onbeperkt hernieuwbare concessies van 50 jaar.
Op verzoek kunnen deze kosteloos telkens met een periode van 50 jaar hernieuwd worden. De bewijslast of het al dan niet een eeuwigdurende concessie betreft, ligt ten laste van de concessiehouder of zijn erfgenamen, of bij ontstentenis hiervan bij iedere belanghebbende.
De hernieuwingen van de altijddurende concessie verleend voor 13 augustus 1971 worden toegestaan overeenkomstig artikel 9 van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging.

Procedure hernieuwing bij verval van de eeuwigdurende concessie  

§2 Minstens één jaar voor het verstrijken van de concessie of van de hernieuwingen ervan, maakt de burgemeester of zijn gemachtigde een akte op waarbij eraan herinnerd wordt dat een aanvraag om hernieuwing bij hem moet toekomen.  Een afschrift van deze akte wordt één jaar lang zowel bij het graf als aan de ingang van de begraafplaats uitgehangen.  Als er geen aanvraag om een hernieuwing is gedaan, dan vervalt de concessie.  Indien erom verzocht wordt, neemt een nieuwe termijn van 50 jaar een aanvang.  Deze hernieuwing is kosteloos.

Procedure hernieuwing reeds vervallen eeuwigdurende concessie:

§3 Betreft het, op datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een reeds vervallen concessie, dan wordt iedere belanghebbende alsnog de mogelijkheid geboden deze concessie te verlengen tot 2012. De nieuwe concessietermijn vangt aan op datum van het collegebesluit waarbij de hernieuwde concessie verleend wordt. Als er geen aanvraag om een hernieuwing gedaan wordt voor het jaar 2012, dan vervalt de concessie.

Art. 72.
De aanvragen tot hernieuwing worden ingediend bij het college van burgemeester en schepenen vòòr het verstrijken van de concessietermijn.

Art. 73.
Het tarief voor de hernieuwingen wordt proportioneel berekend op het aantal jaren dat de vervaldatum van de vorige concessie overschrijdt.

Art. 74.
De hernieuwingen kunnen worden geweigerd indien de concessie verwaarloosd is op het moment van de aanvraag.

Art. 75.
Er mogen geen bijzettingen geschieden wanneer de concessietermijn verstreken is.

9.4. Omzetting concessie.

Art. 76.

De verzoeken tot omzetting van reeds verleende concessies in één of meer andere concessies op de gemeentelijke begraafplaatsen kunnen slechts worden ingewilligd indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de aanvraag moet door de verkrijger van de oorspronkelijke concessie of zijn rechthebbende worden ingediend; deze wordt gericht
  aan het college van burgemeester en schepenen en is opgesteld op kosteloos ter beschikking gestelde formulieren;

- na goedkeuring van de aanvraag moeten, op kosten van de belanghebbende, de stoffelijke overblijfselen die reeds in de oorspronkelijke
  concessie  werden bijgezet of begraven naar de nieuwe concessie worden overgebracht. De aanvankelijk geconcedeerde grond of
  nis moet in de toestand worden gebracht zoals die was op het tijdstip dat die concessie een aanvang nam.

- de burgemeester dient toestemming te verlenen tot ontgraving overeenkomstig de artikelen 32-37 van dit reglement.
- het verschuldigde tarief voor de ontgraving en de nieuwe concessie wordt gekweten.

9.5. wijziging bestemming begraafplaats.

Art. 77.

In geval van terugneming van een grafconcessie wegens openbaar belang, dienstnoodwendigheid, sluiting of wijziging van de bestemming van de begraafplaats, kan de concessiehouder geen aanspraak maken op enige vergoeding.
De concessiehouder heeft het recht op het kosteloos bekomen, voor de resterende concessietermijn, van een perceel van dezelfde oppervlakte of een nis van dezelfde grootte, op dezelfde begraafplaats of op een andere begraafplaats.
Dit recht is afhankelijk van het indienen van een aanvraag tot overbrenging welke moet worden ingediend:
- door een belanghebbend persoon;
- vòòr de datum van de terugneming;
- schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen.

De kosten voor de overbrenging van de stoffelijke overschotten zijn ten laste van het gemeentebestuur. De kosten voor de overbrenging van de graftekens vallen ten laste van de persoon die de overbrenging heeft aangevraagd.

9.6. vroegtijdige beëindiging concessie.

Art. 78.
Een concessie kan vroegtijdig door het college van burgemeester en schepenen worden teruggenomen in volgende gevallen:
a) op verzoek van de concessiehouder;
b) bij een toegestane ontgraving en overbrenging van het stoffelijk overschot of van de asurne naar een andere concessie;
c) ingeval van de, overeenkomstig art. 47, vastgestelde verwaarlozing.
In alle andere gevallen behoort de bevoegdheid tot terugneming toe aan de gemeenteraad.

Art. 79.
Elke belanghebbende kan na 15 jaar na de laatste bijzetting, schriftelijk, vragen om een concessie vroegtijdig te beëindigen. Gedurende 1 jaar zal een bericht aangeplakt worden aan het graf.  In dit bericht zal vermeld worden dat een belanghebbende de concessie niet wenst te behouden en dat het graf zal weggeruimd worden.  Het bericht zal ook vermelden waar men terecht kan om hiertegen een bezwaar te uiten.
Het college van burgemeester en schepenen kan één jaar na de aanplakking en op voorwaarde dat er geen bezwaar geuit werd, beslissen de concessie terug te nemen. 

Art. 80.
Wanneer een concessie om welke reden dan ook een einde neemt, worden de graftekens die na 2 maanden niet zijn weggenomen en de nog bestaande ondergrondse constructies eigendom van de gemeentebestuur.  De concessiehouders kunnen geen aanspraak maken op enige vergoeding.

Art. 81.
De in voorgaand artikel bedoelde ondergrondse constructies kunnen door de gemeentebestuur in concessie worden gegeven op voorwaarde dat de concessionaris zelf de grafkelder aanpast aan de vereisten van artikel 33 van het uitvoeringsbesluit van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen.

9.7. Vervallen concessie.

Art. 82.
De gronden die het voorwerp uitmaken van vervallen grafconcessies zullen worden ontruimd na 31 december van het jaar waarin de concessies vervallen.
De erop staande grafzerken of de aangebrachte columbariumplaten moeten binnen de twee maanden door de eigenaars worden weggenomen in aanwezigheid van de grafmaker.
Indien de grafzerken of columbariumplaten binnen de gestelde periode niet worden opgeruimd, zullen zij ambtshalve worden weggenomen en verkocht.
Na 31 december van het jaar waarin de concessie van een columbariumnis of een concessie op het urneveld vervallen is worden deze ontruimd. Het gemeentebestuur zorgt voor de verstrooiing van de as op de strooiweide van de begraafplaats. De verstrooiing zal aangekondigd worden aan de ingang van de begraafplaats.

10. Patrimoniumlijst.

Art. 83.
Het college van burgemeester en schepenen maakt autonoom een lijst op van graven met lokaal historisch belang die als kleine onroerende erfgoedelementen kunnen worden beschouwd.  De graven op deze lijst zullen 50 jaar worden bewaard en onderhouden door het gemeentebestuur overeenkomstig de voorschriften van artikel 26§2 van het decreet.  Deze termijn is verlengbaar. Een afschrift van deze lijst met plan wordt bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor Monumenten en de Landschappen.

11. Ordemaatregelen.

Art. 84.

De begraafplaatsen zijn toegankelijk voor het publiek van zonsopgang tot zonsondergang,  behoudens afwijkingen door de burgemeester vastgesteld. Deze beschikkingen worden aangeplakt aan de ingang van de begraafplaatsen.

Art. 85.

De toegang is verboden voor personen:

-        die kennelijk in staat van dronkenschap verkeren,

-        personen die goederen of diensten te koop aanbieden,

-        personen die de rust van de begraafplaatsen verstoren of door hun daden of woorden een volkstoeloop veroorzaken.

Art. 86.

Op de begraafplaatsen is het verboden gelijk welke daad te stellen, een houding aan te nemen of een manifestatie op touw te zetten die de welvoegelijkheid van de plaats, de orde en de eerbied voor de doden stoort of kan storen.

Meer in het bijzonder is het verboden:

-        zich buiten de openingsuren op de begraafplaats te bevinden,

-        de omheiningen van de begraafplaatsen, de graven, de grafstenen en de gedenktekens te beklimmen,

-        schade te berokkenen aan de monumenten, omheiningen of andere gedenktekens die de graven sieren,

-        de graven, de bloemperken en het gras te betreden,

-        te leuren, gelijk welke goederen uit te stallen, te koop aan te bieden of zijn diensten aan te bieden,

-        te bedelen of geld in te zamelen,

-        dieren mee te brengen op de begraafplaats, tenzij geleidehonden voor mindervaliden, politiediensten en erkende 
         bewakingsondernemingen met waak-, speur- en verdedigingshonden,

-        met de fiets, bromfiets of auto de begraafplaats binnen te rijden, tenzij de burgemeester, om gewichtige en uitzonderlijke
         redenen, daartoe toelating heeft verleend. Dit verbod is niet van toepassing voor de lijkwagen, rijtuigen voor
         mindervaliden en dienstvoertuigen,

-        reclamebriefjes te verspreiden, aanplakbiljetten, berichten of aankondigingen aan te brengen, behoudens in gevallen bepaald bij 
         het decreet of bij onderhavig reglement,

-        afval, papier, verpakkingsmiddelen of andere voorwerpen binnen de omheining van de begraafplaats weg te gooien, tenzij in de
         daartoe bestemde korven of containers,

-        opschriften of grafschriften aan te brengen die de welvoeglijkheid, de orde en de aan de doden verschuldigde eerbied verstoren,

-        zich luidruchtig op te stellen,

-        de begraafplaats te verlaten met planten, bloemen of versieringen van alle aard tenzij mits toestemming van de gemeentelijke overheid,

-        binnen de omheiningen van de begraafplaatsen begrafenissen of lijkstoeten te filmen of te fotograferen, tenzij op uitdrukkelijk
         verzoek van de getroffen familie. In alle andere gevallen is het maken van foto- of filmopnamen aan de schriftelijke toelating van
         de burgemeester onderworpen.

-        Grafschriften mogen niet oneerbiedig zijn en geen aanleiding geven tot wanorde.

Onverminderd het bepaalde in artikel 88 wordt eenieder die één van deze verbodsbepalingen zou overtreden, onverwijld van de begraafplaats verwijderd of kan de toegang worden ontzegd door het bevoegd personeel dat, zonder uitstel, de sanctionerend ambtenaar in kennis stelt van het gebeuren en zo mogelijk van de identiteit van de overtreder. 

Art. 87.
Alle niet in dit reglement voorziene gevallen worden beslecht door het college van burgemeester en schepenen, in zoverre zij niet door een wet, besluit of decreet aan een andere overheid worden toegewezen.

12. Strafbepalingen.

Art. 88.

Overtredingen op het begraafplaatsenreglement kunnen overeenkomstig de wet van 13 mei 1999 inzake de invoering van de gemeentelijke administratieve sancties en latere wijzigingen, gesanctioneerd worden met een administratieve geldboete van ten hoogste € 250, opgelegd door de sanctionerende ambtenaar of met een administratieve schorsing of intrekking van een afgeleverde vergunning door het college van burgemeester en schepenen.

De procedure inzake de bovenvermelde administratieve sanctie wordt eveneens geregeld door de wet van 13 mei 1999 en latere wijzigingen en het gemeenteraadsbesluit van 6 juli 2010 ‘Reglement Gemeentelijke Administratieve Sancties’.

13. Slotbepalingen.

Geldigheid.

Art. 89.

Dit algemeen reglement op de begraafplaatsen en lijkbezorging geldt onverminderd de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering dd. 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria  en het Vlaams decreet dd.16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, gewijzigd bij decreet van 18 april 2008.

Opheffingsbepaling.

Art. 90.

Alle vorige politieverordeningen op de gemeentelijke begraafplaatsen en de begrafenissen worden opgeheven, alsook alle met dit reglement strijdige voorschriften welke de gemeenteraad zou hebben verordend worden opgeheven.

Uitvoerbaarheid.

Art. 91.

Dit reglement wordt van kracht onmiddellijk na de vereiste afkondiging.

Art. 92.

Dit reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 186 en 187 van het gemeentedecreet.

Art. 93.

Een afschrift van dit besluit zal bezorgd worden aan:
- de Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen,
- de griffie van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent,
- de griffie van de politierechtbank te Gent,

- de korpschef van de politiezone Puyenbroeck,
- de heer Procureur des Konings te Gent.

Namens de gemeenteraad,

De Secretaris,                                                            De Burgemeester-Voorzitter,

Get. B. Put                                                                 Get. F. Marin

Voor eensluidend uittreksel,

9180 MOERBEKE, 14 maart 2011.

De Secretaris,                                                            De Burgemeester,